Op 06 september 1949,
omstreeks half negen 's avonds werd het historisch telegram
verzonden. De Deutsche Bundesbahn was een feit en de daarop
volgende dag was de Deutsche Reichsbahn in de westelijke bezette
gebieden geschiedenis. In de beginjaren van de DB werd de
typenaanduidingen op rijtuigen nog gehanteerd zoals bij de DRG
in tijdperk II, alleen een aantal letters werden toegevoegd aan
het aanduidingsschema. Ook de meeste rijtuig nummers bleven
ongewijzigd. Men kreeg dus de volgende aanduiding van
bijvoorbeeld een rijtuig 1ste/2de klas Bauart 1928, uit tijdperk
II: AB4ü-28. AB betekent 1ste en 2de klas, het cijfer 4 staat
voor het aantal assen en de ü betekent dat het rijtuig is
voorzien van rijtuigovergangen met harmonica overgangen. De
serie nummers bleven ongewijzigd t.o.v. tijdperk II. Nieuwe
rijtuigen die werden gebouwd werden volgens dezelfde
bovenstaande schema's genummerd.
Dit nummerschema werd tot 1956 gehanteerd.
Door de Berlijnse blokkade in 1948 stopte het treinverkeer
tussen West- en Oost Duitsland. Pas na de beëindiging hiervan op
12 mei 1949 reed bijvoorbeeld de FD 111/112 weer door naar
Berlijn.
Vijf jaar na de tweede wereldoorlog was door de spoorwegen in de
westelijke bezettings zones al een netwerk gevormd met
verschillende treinsoorten met verschillende comfortniveau's,
zoals FD, FDt en DT treinen. Door de opmars van de auto en het
vliegtuig als vervoermiddel was de DB min of meer genoodzaakt om
het nieuwe langeafstands sneltrein netwerk als produkt neer te
zetten met kenmerken als snelheid, comfort en exclusiviteit.
De rijtuigen werden in een blauwe kleur (RAL 5011) geschilderd
en kregen op de zijkant de letters "DB". Rijtuigen voor de
internationale sneltreinen kregen op de zijkant de inscriptie
"Deutsche Bundesbahn". De rijtuigen werden in principe allemaal
omgebouwd tot 1ste en/of 2de klas rijtuigen. Samen met de rode
DSG restauratie rijtuigen waren de sneltreinen in het nieuwe
netwerk dikwijls een bonte verzameling van rijtuigtypen. Een
goed voorbeeld hiervan is de Fleischmann treinset Gambrinus.
Nieuwe rijtuigen kwamen vanaf 1953 beschikbaar voor de
F-treinen. Dit waren dan de nieuwe 26,4 meter sneltrein
rijtuigen.
De getrokken treinen bestonden meestal uit twee AB4ü rijtuigen
en een WR (restauratie rijtuig), en soms uit twee AB4ü rijtuigen
en een ABR4ü rijtuig. Als locomotieven werden voornamelijk
stoomlocomotieven van de series BR 01, BR 0110, BR 03, BR 0310
en BR 05 gebruikt, alswel elektrische locomotieven van de serie
E 17 en E 18. Ook de nieuwe diesellocomotief V 200 werd ingezet
in het F-treinen netwerk.
Op 20 mei 1951 ging officieel het nieuwe sneltrein netwerk van
start. Bij de DB heette het netwerk officieel: "Netz der
leichten Fernschnellzüge". De treinen in dit netwerk werden
gekenmerkt door de letter "F" voor getrokken treinen, of door
"FT" voor de treinstellen.
Voor de oorlog waren de meeste verbindingen gericht op Berlijn.
In West-Duitsland waren er meerdere belangrijke centra. Van
noord tot zuid dienden al deze centra met elkaar verbonden te
worden. Dit leidde tot een veel dichter vertakt netwerk. Een eis
voor het netwerk was dat tussen twee plaatsen 's ochtends en aan
het eind van de middag een verbindingen in beide richtingen was.
In Frankfurt, n van de belangrijkste knooppunten in het
netwerk, vertrokken zo rond 7 uur s ochtends 7 F-treinen.
Lees verder: De moderne
tijd, opkomst van elektrische locomotieven |
 |