| Mijn verzameling en de modelbaan
zijn geheel gebaseerd op het tijdperk III. Met name de
jaren 1957 tot 1975. Dat hierbij een klein gedeelte van
tijdpek IV worden meegenomen, geeft alleen maar een
extra dimensie aan het materieel. Wat mij nu zo
intrigeert aan dit tijdperk probeer ik op deze en
volgende webpagina's uit te leggen. Tijdperk III kenmerkt
zich door de wederopbouw van de spoorwegen na de tweede
wereldoorlog. De inzet van talrijke vooroorlogse locomotief en
rijtuig typen, maar ook de nieuwbouw van de laatste nieuwe
stoomlocomotieven, nieuwe generaties diesellocomotieven en
nieuwe innovatieve elektrische locomotieven. De eerste
hoofdlijnen die worden geëlektrificeerd, en de nieuwbouw van een
nieuwe generatie sneltreinrijtuigen in de lengte van 26,40 m die
we thans nog steeds in en buiten Duitsland zien rijden.
In tijdperk III vindt ook de terugkeer van een aantal beroemde
trein plaats. Zoals de Rheingold, eerst nog met vooroorlogs
materieel maar vanaf 1962 weer exclusief met speciale rijtuigen.
Ook in het nieuwe F-treinen netwerk waarmee de nieuwe DB goede
verbindingen bied voor zakenreizigers rijden een aantal beroemde
treinen zoals de Henseat, Rheinblitz en Blauer Enzian die met de
oude Henschel Wegmann Zug wordt gereden. En natuurlijk start in
1957 het beroemde Europese TEE netwerk voor kwaliteitstreinen.
Op 8 mei 1945 eindigde officieel de tweede wereldoorlog. De
spoorweg installaties en het rollende materieel van de eens zo
trotse Duitse spoorwegen was vergaand verwoest en het weinige
nog rijdende materieel werd door de geallieerde strijdkrachten
in beslag genomen. De door de militaire regering gecontroleerde
en geleide spoorwegen worden op 7 september 1949 aan Duitsland
teruggegeven.
Omdat de herbouw van rollend materieel ondenkbaar was in die
tijd, lag de aandacht op het herstel van bestaand materieel.
Elke nog repareerbare locomotief wordt weer ingezet. Bij enkele
locomotieven kon men van deels nieuwbouw spreken. Ook het
rijtuig en goederen wagen park wordt weer gerepareerd in
hoeverre dat nog mogelijk was en ingezet.
In 1950 start de nieuwe Deutsche Bundesbahn met de nieuwbouw van
stoomlocomotieven. Voor het personenverkeer op zijlijnen en
rangeerdiensten werden de locomotieven BR 23 en BR 82 gebouwd en
in dienst genomen. Voor het langeafstands treinverkeer werd in
1957 de stoomlocomotief BR 10 gebouwd, echter bleef dit steken
bij twee exemplaren. In 1959 werd met de BR 23 105 de laatste
stoomlocomotief aan de DB afgeleverd. De stoomlocomotief had
geen toekomst meer bij de DB.
Voor de inzet op niet geëlektrificeerde hoofdlijnen werd in 1953
de V 200 afgeleverd. Eind jaren 50 werd voor de zijlijnen
diensten de V 100 in grote aantalen gebouwd (thans 211/212/213).
Deze locomotieven vervingen in grote getalen de BR 38 en BR 50
stoomlocomotieven. Voor het personenverkeer op zijlijnen werd
vanaf 1952 de beroemde Uerdinger railbussen BR 795/798
aangeschaft. Deze railbussen hebben heel wat onrendabele
zijlijnen van de ondergang gered.
Lees verder: Het
ontstaan van de Deutsche Bundesbahn. |
 |